In mijn praktijk van weven komt veel samen. Mijn werkzaamheden vallen onder de performance kunst, muziek,
dans, taal, filosofie. Ik maak verbindingen in ruimte en tijd. Een praktijk die erg oud is en altijd zal blijven bestaan. Ik maak ruimtelijk werk. Het is niet direct te koppelen aan een verhaal of een vaste betekenis. De
betekenis is intrinsiek erin verwerkt.
Een wever/weefster vertrekt altijd vanuit een grid op basis van ketting en inslag. Daarnaast is er iets als
improvisatie, materiaal, kleur. In de beweging tussen het horizontale en het verticale ontstaat werk. Wat gebeurt daar precies? Gadamer heeft het over het begrip ‘átopos’*. Een begrip wat ook over ruimte gaat en waar beweging, of het neigen, een rol speelt. Een kunstenaar laat zich verrassen en neigt naar iets wat hem/ haar inspireert; een ontmoeting die wordt bevestigd middels handelingen van het scheppen van iets wat hem/ haar als schoon en betekenisvol voorkomt. Het is een privé aangelegenheid die niet losstaat van de wereld. Er worden daar tijdens het maken werelden verbonden.
Voor mijn onderzoek naar verwerkte betekenis zal ik het boek ‘de actualiteit van het schone’ van Gadamer
gebruiken om begrippen hieruit te verbinden met mijn doorlopend onderzoek naar textiel als (geweven) taal. Ik zal hiervoor literatuuronderzoek doen naar de praktijk van Anni Albers, specifiek naar haar werk periode in Zuid Amerika en haar docentschap op het Black Mountain College. Dit om de verbindingen die ik zie tussen eeuwenoude textielculturen en de moderne kunst te onderbouwen.
dans, taal, filosofie. Ik maak verbindingen in ruimte en tijd. Een praktijk die erg oud is en altijd zal blijven bestaan. Ik maak ruimtelijk werk. Het is niet direct te koppelen aan een verhaal of een vaste betekenis. De
betekenis is intrinsiek erin verwerkt.
Een wever/weefster vertrekt altijd vanuit een grid op basis van ketting en inslag. Daarnaast is er iets als
improvisatie, materiaal, kleur. In de beweging tussen het horizontale en het verticale ontstaat werk. Wat gebeurt daar precies? Gadamer heeft het over het begrip ‘átopos’*. Een begrip wat ook over ruimte gaat en waar beweging, of het neigen, een rol speelt. Een kunstenaar laat zich verrassen en neigt naar iets wat hem/ haar inspireert; een ontmoeting die wordt bevestigd middels handelingen van het scheppen van iets wat hem/ haar als schoon en betekenisvol voorkomt. Het is een privé aangelegenheid die niet losstaat van de wereld. Er worden daar tijdens het maken werelden verbonden.
Voor mijn onderzoek naar verwerkte betekenis zal ik het boek ‘de actualiteit van het schone’ van Gadamer
gebruiken om begrippen hieruit te verbinden met mijn doorlopend onderzoek naar textiel als (geweven) taal. Ik zal hiervoor literatuuronderzoek doen naar de praktijk van Anni Albers, specifiek naar haar werk periode in Zuid Amerika en haar docentschap op het Black Mountain College. Dit om de verbindingen die ik zie tussen eeuwenoude textielculturen en de moderne kunst te onderbouwen.



